De oervorm
In de omhooggerichte kanonsloop met de daarop geplaatste kanonskogel is zelfs met weinig fantasie de oervorm van het Amsterdammertje al te herkennen. Welke ontwerper of ijzergieter als eerste op deze oervorm voortborduurde en het eerste paaltje uit één stuk in die vorm maakte, is helaas niet bekend. Wel is bekend dat het eerste echte Amsterdammertje rond 1870 werd geplaatst in de poort van het Begijnhof aan het Spui. Het staat er jammer genoeg niet meer, maar wie goed zoekt, zal op een aantal plaatsen in de oude binnenstad nog oude Amsterdammertjes kunnen vinden die ooit als schamppaal of als verkeersafsluiting voor voetbrug, slop of steeg zijn geplaatst. Helaas zijn veel van die oorspronkelijke, gietijzeren Amsterdammertjes verdwenen met het voor het publiek afsluiten van onder meer de smalste steegjes rond de Zeedijk en de Wallen. Die sloppen, zoals de Spooksteeg en de Dolle Begijnensteeg, waren het stinkende pisparadijs geworden voor dronkenlappen, hoerenlopers en spuitende junken en door zo’n steeg lopen was op het laatst alleen nog voorbehouden aan avontuurlijk ingestelde types.

Waarheid of mythe?
Het “kanonnenverhaal” heb ik tijdens mijn fotografische strooptochten van veel oude Amsterdammers gehoord en ook van stratenmakers en medewerkers van de werven van Publieke Werken. De Dienst Ruimtelijke Ordening gaf sinds 1995 het blaadje ‘Plan Amsterdam’ uit. De uitgave van november 1995 stond geheel in het teken van het onderzoek dat Anneke van der Stoel naar het Amsterdammertje deed. In het voorwoord van die uitgave beschrijft de Coördinator Straatmeubilair (ir. Rob van Maarschalkerwaart) het verhaal van de ingegraven kanonnen als “een onuitroeibare mythe”. Bij historisch onderzoek zou daarvan namelijk nooit enig bewijs gevonden zijn, maar juist wel van de evolutie van een 17e eeuwse hardstenen straatpaal tot het model van het Amsterdammertje zoals wij het nu kennen.


